Meer weten over …

Uitleg bij het Requiem van Gabriel Fauré

Het Requiem ontleent zijn naam aan de eerste woorden van de Introïtus van de mis voor de overledenen: Requiem aeternam dona eis, Domini, in het Nederlands: Geef hun de eeuwige rust, o Heer.

Het requiem zoals wij dat kennen ontwikkelde zich pas vanaf ongeveer de tiende eeuw. De verschillende lokale en regionale varianten werden geüniformeerd door het Missale Romanum (1570), een uitvloeisel van het centraliserende Concilie van Trente. De rouwmis werd gevierd op Allerzielen, maar ook bij de begrafenis van een overledene en bij missen voor diens zielenheil.

Een dodenmis heeft twee gezichten. In de teksten worden troost en berusting afgewisseld met wanhoop en schrik voor ‘die vreeswekkende dag’. Hierin weerspiegelen zich de tegenstrijdige gevoelens die een sterfgeval opwekt. Eerst de schok, verslagenheid en woede: waarom moet ons dit overkomen?  Maar vervolgens ook de christelijke berusting, de hoop op eeuwig leven en verrijzenis.

Fauré en zijn Requiem

De reden waarom Fauré het werk heeft gecomponeerd is niet bekend. Een mogelijke aanleiding kan de dood van zijn vader in 1885 zijn, en de dood van zijn moeder twee jaar later op oudejaarsavond 1887. Desalniettemin was Fauré al met het werk begonnen toen zijn moeder overleed. Fauré zei later over de

reden tot componeren: “Ik heb het nergens voor gecomponeerd… gewoon voor het plezier, als u me dat toelaat te zeggen!”

Zijn requiem is vaak omschreven als een wiegelied van de dood: op vredige klanken wordt de overledene het paradijs in gedragen. Fauré legde uit dat hij de dood niet zag als een onvermijdelijk einde vervuld van doodsangst, maar van berusting, troost en de verwachting van een beter leven. Als organist en maître-de chapelle had hij jarenlang rouwdiensten begeleid. “Ik ken het allemaal van binnen en van buiten”, zei hij in 1902, “ik wilde iets heel anders schrijven”.

Het eerst geschreven deel is het Libera Me, dat al eerder als een losstaand werk werd gecomponeerd in 1877. In het daaropvolgende jaar componeerde hij de eerste versie van het Requiem, welke hij Un Petit Requiem noemde. De eerste versie bestond uit vijf delen (Introïtus et Kyrie, Sanctus, Pie Jesu, Agnus Dei en In Paradisum), maar bevatte nog niet het Libera Me. De eerste versie werd op 16 januari 1888 in La Madeleine te Parijs uitgevoerd. Fauré dirigeerde de uitvoering zelf. Het stuk werd opgedragen ter nagedachtenis aan de architect Joseph La Soufaché.

In 1889 werd het Hostias toegevoegd aan het Offertorium. Een jaar later werd het Offertorium verder uitgebreid en werd het Libera Me aan het Requiem toegevoegd. Deze tweede versie, voor kamerorkest, ging op 21 januari 1893 in première, ook in de Madeleine in Parijs met Fauré zelf als dirigent.

Tussen 1899 en 1900 werd het Requiem bewerkt voor een compleet orkest. Het is niet duidelijk of deze bewerking door Fauré zelf of door een van zijn leerlingen is gemaakt. Deze derde versie ging op 6 april 1900 in première. De derde versie was de meest bekende versie van het Requiem, totdat Fauré’s originele manuscript voor kamerorkest werd ontdekt door John Rutter in de Bibliothèque nationale de France in Parijs in de jaren 1980.

Rond 1900 vroeg Fauré’s uitgever om een rijker georkestreerde uitgave, en het is die Trocadéro-versie (genoemd naar de Parijse zaal waar de première plaatsvond) die de wereld veroverde. Fauré zelf was enorm verbaasd door het succes van het Requiem. In een brief schreef hij: “Mijn Requiem wordt gespeeld in Brussel, in Nancy en in Marseille. Zelfs aan het Conservatorium in Parijs! Je zal zien, ik word nog een beroemde muzikant!”

Het is tekenend dat hij het Dies Irae (van toorn) wegliet, met uitzondering van de twee laatste regels: `Pie Jesu Domine, Dona eis requiem’ (`Heer Jezus ontferm U, laat hem rusten in Uw schoot’). Deze gewoonte werd later nagevolgd door componisten als Maurice Duruflé en J.G. Ropartz.

Met het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) zou het Dies Irae zelfs officieel uit de dodenliturgie geschrapt worden.

Fauré is ook één van de eersten die afsloot met het ‘In Paradisum’: `Ten paradijze geleiden u de Engelen’. Dit wordt gezongen als het lichaam de kerk uitgedragen wordt en heeft, in ieder geval bij Fauré, niets van de verschrikkingen van het Laatste Oordeel. Het is de natuurlijke overgang naar een beter leven. In het aangezicht van de dood past een stilzwijgende serene overgave.

In 1924 werd het Requiem uitgevoerd tijdens Fauré’s eigen begrafenis.

 

 

 

Uitleg bij het Magnificat van John Rutter 

Magnificat …‘A poetic outpouring of praise, joy and trust in God’

Voor sopraan, koor en orkest

Is John Rutter (geboren in 1945) een briljante componist of gewoon iemand die gebruik maakt van gemakkelijke muzikale clichés? Feit blijft, dat zijn Magnificat een paar composities bevat die tot zijn mooiste lyrische werken gerekend worden. Hij is inmiddels een beroemd componist van hoofdzakelijk koorwerken waarvan het Magnificat één van de bekendste is naast het Requiem (1984). Rutter is niet kerkelijk, maar schreef (en schrijft) wel veel kerkmuziek. Het Magnificat is in de Katholieke kerk een vast onderdeel van de Vespers (zoals het Benedictus bij de Lauden hoort). Naast Magnificat en Benedictus schreef Rutter ook een Gloria, een Requiem en werken voor de Anglicaanse liturgie.

Zijn stijl is veelomvattend: in zijn muziek hoor je Engelse, Franse en Duitse koortradities, maar tevens kenmerken van popmuziek en jazz. In Magnificat geeft Rutter muzikaal vorm aan de vreugde en het vertrouwen in God die Maria uitte toen zij hoorde dat zij Christus zou baren. Hij verklankt dit met Spaanse en Latijns-Amerikaanse kenmerken in een sfeer van straatfeesten, carnaval in Rio, vol temperament en uitbundigheid…. zonder afbreuk te doen aan de diepere betekenis van de tekst.

Het Magnificat is – vaak op de Latijnse tekst –  door vele componisten (o.a. Bach, Schubert en andere eigentijdse componisten zoals Hovhaness en Pärt) op muziek gezet. Rutter deed het in opdracht van MidAmerica Productions, voor een concert in Carnegie Hall dat plaatsvond op 26 mei 1990. Hij vertaalde de tekst naar zes(!) verschillende delen met ieder een eigen karakter, aangevuld met een 7e deel met een niet-kerkelijke tekst:

Magnificat anima mea: een blijde, haast lyrische introductie. Van dit deel zegt Rutter: “loose all inhibitions and sing it full of joy. It can have a bit of latino flavour in the latin text”.

Een klein stukje Gregoriaanse muziek, dé muziek van de Christelijke kerk, kun je horen in de trombones bij ‘et exultavi’.

Of a rose, a lovely rose… is de tekst van een anoniem Engels gedicht uit de 15e eeuw. Het gedicht stelt Maria voor als een roos met vijf takken, die samen het verhaal van Jezus’ ontstaan vertellen: Gabriël die aan Maria verschijnt, de ster van Bethlehem, de drie wijzen, de overwinning op de duivel en als laatste de hemel.

Rutter schreef dit deel nog voordat hij het Magnificat in zijn geheel schreef en gebruikte daarbij stukjes uit ‘The Litchfield Canticles’, één van zijn eerdere werken.

Rutter: “it has a sense of floatiness in it, that doesn’t appear in the other movements”.

Quia fecit mihi magna (Hij die machtig is, heeft grootse dingen voor mij gedaan) komt van het Sanctus. Rutter schreef dit deel vanuit de gedachte dat God de maagd Maria op een grootse manier verheft. Dat dit deel vooral voor het koperwerk een feestje is, zal niemand verbazen.

In dit deel is duidelijk de Gregoriaans invloed te horen.

Et misericordia: (en Zijn genade is aan hen die Hem van generatie op generatie vrezen). Dit deel is, ondanks het langzame tempo, een stralend  en blij deel, waarin Maria nadenkt over de taak die haar wacht. Rutters volgt hier Bach, zijn grote voorbeeld in het combineren van wereldse met Gregoriaanse en liturgische thema’s.

Fecit potentiam (Hij heeft zijn kracht laten zien): een deel vol energie, waarin de ritmes haast nog belangrijker zijn dan de inhoud. Dit deel is jazzy, pittig en lijkt het minst op wat ‘men’ verwacht van Rutters stijl. Het einde van dit deel leidt naar het ongelooflijk prachtige volgende deel.

6  Esurientes (Hongerigen heeft Hij met gaven vervuld): een verstild moment, het idee van Gods voorzienigheid, hoe hij ons vult met goede dingen. Het thema van dit deel komt tot uiting in de tekst Esurientes, herhaalt zich, maar blijft altijd ingetogen en komt pas aan het einde tot een soort oplossing.

Nick Barnard over Esurientes: “the music weaves a magical spell of balm and peace – for me the highlight …  and one of Rutter’s moments of greatest inspiration in any work”.

Gloria Patria (Glorie aan de Vader) is een zogenaamde doxologie (een gezongen lofspreuk), gebaseerd op het thema van deel 3. Hier hoor je weer Bach’s invloed, ook hij liet in zijn Magnificat een eerder deel terugkomen.

De verrassing komt, als de soliste halverwege een gebed begint: “Heilige Maria, help ons  en onze behoeftigen, onze schuchtere, de geestelijkheid, de vrouwen en de leken”. Niet echt Gregoriaans, maar zoals Rutter zei: “it’s  in a Gregorian style, perhaps, but it is my own”.

Sicut erat in principio: zoals in meerdere werken eindigt dit laatste deel ook met een herhalen van het Magnificat thema uit het eerste deel, toewerkend naar een Amen. Luister je goed, dan hoor je de tango! En zijn we weer terug bij de Latino uit het eerste deel.

Bron:

Dicky Bullinga (Het Wagenings Symfonie Orkest en Het Andere Koor)